Oorlogs- en Bevrijdingsmonument

Locatie: Stadhuisplein
Het oorlogs- en bevrijdingsmonument in Eindhoven is opgericht ter nagedachtenis aan de circa 500 à 600 medeburgers die tijdens de bezettingsjaren door oorlogshandelingen zijn omgekomen.
De oorlogssituatie maakte een ingrijpende verandering in het dagelijks leven van vele burgers. Door de oplopende schaarste aan producten was men langzaam maar zeker overgegaan op een distributiesysteem. Deze bestond al vanaf 1939 weliswaar, maar werd pas later intensiever toegepast. In augustus en september 1940 waren producten als brood, vlees eieren, koffie en boter alleen nog tegen inlevering van distributiebonnen te verkrijgen. De lijst met zaken die ‘op de bon’ waren, werd bijna maandelijks uitgebreid. Het ging hierbij al snel niet meer alleen om levensmiddelen, maar ook om textiel, schoenen en brandstoffen. Na enkele oorlogsjaren waren veel zaken ook met bonnen niet meer verkrijgbaar.
In Eindhoven besloot de gemeente al begin 1941 drie centrale keukens in te richten, waar inwoners tegen een geringe betaling een warme maaltijd konden krijgen. Ook grote bedrijven gingen er toe over hun werknemers maaltijden te verstrekken. De zogeheten Philiprak van de Philips had een goede naam wat betreft de kwaliteit. Door de snelle bevrijding bleven Eindhoven en omgeving gespaard voor ernstige tekorten, zoals die in de Hongerwinter in het westen en midden van het land voorkwamen.
Een andere ingrijpende verandering was de invoering in de zomer van 1941 van een persoonsbewijs, dat iedere Nederlander boven de veertien jaar verplicht was bij zich te dragen. Op dit moeilijk na te maken document stonden behalve een pasfoto en een vingerafdruk allerlei persoonlijke gegevens van de eigenaar vermeld. Het persoonsbewijs was bedoeld om de bevolking te controleren en bepaalde groepen te vervolgen. Aanvankelijk ging het hierbij om tegenstanders van het nationaal-socialisme, later ook om arbeiders die in Duitsland te werk werden gesteld en Joden.
Vanaf het najaar van 1940 werd de Jodenvervolging geleidelijk verder opgevoerd en werden de Joden gescheiden van andere Nederlanders en geconcentreerd in bepaalde steden. Van daaruit werden zij vanaf begin 1942 overgebracht naar kamp Westerbork in Drenthe voor de transport naar de vernietigingskampen en concentratiekampen in Polen. In 1941 woonden er in Eindhoven 661 Joden, waaronder ruim 200 buitenlandse Joden. Meestal waren dit Duitse vluchtelingen, die uit het westen van het land waren geëvacueerd. Onder de groep oorspronkelijk Eindhovense joden waren veel (kleine) middenstanders, enkele fabrikanten en doktoren. Een veertigtal Joden werkten bij Philips. Net als elders werden de Eindhovense joden geleidelijk geïsoleerd. Vanaf het najaar van 1940 mochten zij niet meer naar café, bioscoop of theater. Later mochten Joodse kinderen geen normale scholen meer bezoeken.
Vanaf eind augustus 1942 waren er deportaties van Eindhovense Joden. Philips probeerde zijn eigen werknemers te beschermen door een Speciale Opdrachten Bureau
(SOBU) op te richten. Philips wilde de hele groep naar Curaçao laten emigreren. Op 18 augustus 1943 werden alle SOBU-medewerkers en hun gezinsleden, zo’n tachtig man, naar Kamp Vught gebracht. Zij moesten samen met andere in het kamp bij Philips te werkgestelde Joden elektrische apparatuur en radiolampen maken. Tegen alle beloftes in, deporteerden de Duitsers de grote groep van 500 personen echter in mei 1944 naar Auschwitz.
Een van de Joodse medewerkers die als inkoper bij Philips werkte was Flip Hornemann. Hij was getrouwd met Bets en samen hadden zij twee zoons Lex en Edo. Vanwege de jonge kinderen mocht het gezin Hornemann niet naar een werkkamp, zoals de meeste andere Joden die voor Philips werkten. Het gezin moest in Auschwitz blijven waar moeder Bets ziek werd en overleed. Flip Hornemann kwam om in een ander kamp. Edo en Lex werden naar een concentratiekamp bij Hamburg gestuurd en daar gebruikt voor medische experimenten. Op 10 mei 1945, de dag van de Duitse capitulatie, werden zij gedood. Het Lex en Edo Hornemann Plantsoen in Eindhoven herinnert aan hun lot. Van de Eindhovense Joden overleefde ongeveer de helft de vervolging tijdens de oorlogsjaren.
Het verzet in Eindhovend tegen de Duitse bezetter manifesteerde zich in verschillende vormen. Zo was het ambtelijke verzet erop gericht Duitse maatregelen tegen te werken. Een goed voorbeeld hiervan was het naar Duitsland sturen van werklozen. In de loop van de oorlog nam de Duitse druk voor het ronselen van arbeidskrachten steeds meer toe. Enkele ambtenaren probeerden dit zo veel mogelijk te omzeilen, door bijvoorbeeld veel potentiële Duitslandgangers als niet gezond aan te merken. Later verstrekten ze ook valse stempels en ‘Ausweisen’ om vrijstelling van arbeid in Duitsland te bewerkstelligen.
Een andere vorm van verzet was het plegen van sabotage bij de productie van zaken die van militair belang waren door medewerkers van Philips. Sommigen ontvreemden onderdelen waarmee radiotoestellen en enkele zenders werden gebouwd. J. Hoekstra, een chemicus bij Philips, leverde een belangrijke bijdrage aan de opbouw van een verbindingsnet van de landelijk operende Raad van Verzet. Later was hij ook organisatorisch actief voor deze Raad. Andere Eindhovenaren hielden zich bezig met het verbergen van al dan niet Joodse onderduikers. Hiervoor bestond ook een aparte organisatie, namelijk de Landelijke Onderduikers. Behalve Joden werden ook neergeschoten geallieerde piloten geholpen. Zij werden opgevangen en daana zoveel mogelijk via België, Frankrijk en Spanje naar Groot-Brittannië gesmokkeld.
Gewapend verzet heeft zich in Eindhoven slechts op beperkte schaal voorgedaan. De reden hiervoor was dat de stad relatief vroeg werd bevrijd. In het westen speelde het meeste gewapend verzet zich af in het najaar van 1944 en het begin van 1945. Een ondergedoken Delftse student Hoynck van Papendrecht begon in begin 1944 met een aantal jonge mannen en vrouwen uit de regio, Partizanen Actie Nederland (PAN). In juni van dat jaar was de groep, die zelfstandig opereerde, zo’n negentig personen sterk. Deze groep hield zich bezig met het helpen van geallieerde piloten en het verzamelen van inlichtingen. Andere PAN-groepen pleegden sabotage door suiker in de tanks van Duitse voertuigen te gooien. Ook zouden enkele aanslagen op spoorlijnen zijn gepleegd. Na D­day intensiveerde de PAN zijn activiteiten en voerde enkele aanvallen uit op Duitse militairen. Ook probeerde de groep Duitse militairen over te halen om te deserteren. Bij de bevrijding van Eindhoven hielp de PAN de geallieerden als gidsen en bij het bewaken van krijgsgevangenen.
Van 17 tot 26 september 1944 wilden de geallieerden met een grootscheeps bevrijdingsoffensief (operatie ‘Market Garden’) een doorstoot naar Duitsland forceren. In een bliksemsnelle aanval moesten luchtlandingstroepen bruggen veilig stellen. John D. Frost was de commandant van het 2de bataljon van de lste Parachutisten Brigade van de lste Airborne Divisie. Onder zijn leiding slaagden de Britten erin om de noordelijke oprit van de oude Rijnbrug bij Arnhem te bezetten en tijdens de daaropvolgende strijd dagenlang onder controle te houden. De Slag om Arnhem werd echter verloren, waardoor de aanval stokte.
Dankzij de samenwerking van Amerikaanse en Engelse soldaten kon in Brabant een strook vrij gebied, ‘de Corridor’ genaamd, behouden blijven. Onder meer van daaruit werd in de maanden daarna de rest van Brabant bevrijd. Eindhoven werd bevrijd door de Amerikanen. Op 17 september 1944 landde op de Sonse heide geallieerde parachutisten en zweefvliegtuigen. De volgende dag bereikten het 506de regiment van de lOlste Airborne Divisie het centrum van de stad. In de avond arriveerden ook tanks van de Irish Guards van het Tweede Britse leger. Iets later dan gepland, omdat zij bij Aalst door de bezetter waren tegengehouden. Op 19 september vond nog een Duits bombardement plaats, waarbij 227 doden vielen. Pas na 21 september verschoof de gevechtslinie naar het noorden en kon Eindhoven zich pas echt bevrijd voelen.
In 1947 werd door het gemeentebestuur van Eindhoven een prijsvraag uitgeschreven voor het ontwerp van een monument voor de Eindhovense oorlogsslachtoffers. Acht architecten zonden in totaal tien ontwerpen in. Een jury heeft het ontwerp van de Rotterdamse architect ir. J. W .C. Boks uitgekozen. Maar omdat veel mensen het niet eens waren met de keuze, heeft het gemeentebestuur op 25 september 1950 de beslissing van de jury naast zich neergelegd. Na overleg werd Paul Grégoire gevraagd een ontwerp te maken.
Oprichting
Aanleiding voor oprichting van het gedenkteken was de de herdenking van de bevrijding. Het gedenkteken is een geschenk van Stichting Monument Eindhovense Oorlogsslachtoffers.
Onthulling
Het monument is onthuld op 18 september 1954 door burgemeester mr. H.A.M.T. Kolfschoten.