Jan Zwartendijk

Jan Zwartendijk, de engel van Litouwen

Consul redde meer dan 2000 Joden het leven

Het is altijd een onbekend verhaal gebleven: de miraculeuze redding van zo’n 2300 Joden in de zomer van 1940 in de Litouwse hoofdstad Kaunas. Philips-medewerker Jan Zwartendijk was opeens tot honorair-consul gepromoveerd en wist in een listig samenspel met zijn Japanse collega Chiune Sugihara tussen 24 juli en 3 augustus 1940 2345 in feite valse uitreisvisa voor Curaçao of Suriname uit te schrijven voor Joden die op het punt stonden door de nazi’s gegrepen te worden.

Op een dag eind juni 1940 kloppen Isaac Lewin en zijn van oorsprong Nederlandse vrouw Pessla, beiden Poolse Joden, in de Litouwse hoofdstad Kaunas aan bij een zekere Jan Zwartendijk. De Nederlander is naast directeur van de vestiging van Philips Litouwen sinds kort ook plaatsvervangend consul. Isaac en Pessla willen weg uit angst voor de oprukkende nazi’s en sovjets. Voor Nederland kunnen ze geen visum aanvragen, want sinds mei 1940 is ook Nederland bezet. Maar Curaçao, nog altijd vrij territorium van het Koninkrijk der Nederlanden, zou dat geen optie zijn? Het is het begin van een onbekende exodus die meer dan 2000 Joden het leven zou redden. Met dank aan Jan Zwartendijk. Niet de “Engel van Curaçao”, zoals hij in 1963 en daarna in publicaties genoemd werd, maar wel de “Engel van Litouwen”. Want door zijn toedoen en dat van zijn Japanse collega Sugihara konden in die chaotische zomer van 1940 in de hoofdstad Kaunas mede door Zwartendijk’s toedoen heel veel levens van Joden in Litouwen gered worden.

De Curaçao-connectie

Zwartendijk legt het verzoek voor aan zijn feitelijke baas, ambassadeur L.P.J. de Decker in het Letse Riga. Zijn bevinding: er is geen visum voor Curaçao nodig, maar wel moet er toestemming zijn van de gouverneur van Curaçao. Met die boodschap komt Zwartendijk bij het echtpaar Lewin terug. Zij vragen vervolgens of het mogelijk is om een visum te krijgen waarbij die laatste tostemming weggelaten wordt. In het paspoort zou dan alleen vermeld worden dat een visum voor Curaçao “niet nodig is”. In zo’n geval is er een eindbestemming en hebben douanes de plicht de visumhouder door te laten. Zwartendijk krijgt van De Decker toestemming zijn gang te gaan: het begin van de uitgifte van feitelijke nepvisa waarmee velen gered zullen worden. Visa, die overigens tegelijk geldig waren voor de andere Nederlandse gebiedsdelen in de West, waaronder Suriname.

Begin september 1939 vallen de nazi’s Polen binnen en bezetten het westen van dat land. Later diezelfde maand bezet de Sovjet-Unie het oosten van Polen. Later zal blijken dat Duitsland en de Sovjet Unie die verdeling van Polen op 23 augustus 1939 in het zogenaamde Het Molotov-Ribbentroppact overeen zijn gekomen. Veel Poolse Joden slagen op de vlucht, veelal naar de Baltische staten die dan nog onafhankelijk zijn. De meesten kiezen voor Litouwen. Het grenst aan Polen en herbergt van oudsher al een grote Joodse minderheid.

Maar op 15 juni 1940 bezet de Sovjet-Unie de Baltische landen, waaronder Litouwen. Vlak daarvoor is de Nederlandse consul van Litouwen vanwege vermeende nazi-sympathieen van zijn Duitse vrouw van zijn functie ontheven. De ambassadeur voor de Baltische staten, de in het Letse Riga gestationeerde De Decker, wordt gevraagd een nieuwe consul in Litouwen te zoeken. Hij vraagt Jan Zwartendijk. Deze Zwartendijk was de meest ervaren Nederlander in Litouwen. In de hoofdstad Kaunas is hij al sinds eind 1938 werkzaam als directeur van de Litouwse Philips-vestiging. Zwartendijk stemde toe en wordt waarnemend consul. Zo wordt het Philips-kantoor in Kaunas vanaf 14 juni 1940 tevens een Nederlandse consulaat. Een dag later vallen de Sovjets Litouwen binnen.

 

Jan Zwartendijk is in 1976 overleden. Zijn zoon Rob Zwartendijk vertelt 76 jaar later in Blaricum: “Hij schreef in het Frans in hun paspoort: “het Nederlandse consulaat van Kaunas verklaart dat er voor Curaçao geen visum nodig is.” De datum zette hij erbij plus een groot stempel. Zo zag het er erg officieel uit. De toestemming van de gouverneur van Curaçao die nodig was, heeft hij expres weggelaten”.

Direct na de Russiche inval meldt Nathan Gutwirth zich bij consul Zwartendijk. Ook hij is een Poolse Jood met een Nederlands paspoort. En ook hij wil naar Curaçao of een ander Nederlands gebiedsdeel in de West. Het is niet ver van Amerika waar hij familie heeft en waar hij uiteindelijk naartoe wil. Ook in zijn paspoort schrijft Zwartendijk dat er geen visum voor Curaçao of Suriname nodig is. Het verhaal van het Nederlandse visum van Jan Zwartendijk gaat vervolgens als een lopend vuurtje rond in de gevluchte Joods-Poolse gemeenschap in Litouwen. Nathan Gutwirth zelf brengt Joden die ook weg wilden maar geen Nederlands paspoort hebben, persoonlijk naar Zwartendijks consulaat. Binnen korte tijd staan er honderden mensen op de stoep. “Het is een beetje uit de hand gelopen” zou Nathan Gutwirth er later over zeggen.

Zoon Rob Zwartendijk, in 1939 geboren in Kaunas, vertelt nu: “Mijn vader zei: Als ik met zo’n visum mensen kan helpen en redden, dan doe ik dat. Tussen 24 juli en 3 augustus 1940 heeft mijn vader 2345 visa uitgeschreven. Het was dringen voor het smalle trappetje van zijn kantoor. Van ’s morgens vroeg tot ‘s avonds laat was hij bezig. Bijna non-stop, want de Russen zouden op 3 augustus, de dag dat Litouwen officieel zou worden ingelijfd, het consulaat sluiten”.

Chiune Sugihara: de Japan-connectie

Maar wat moeten al die Joodse vluchtelingen met een visum met eindbestemming Curaçao of Suriname? Feitelijk loopt de enige mogelijke route via Rusland. Maar Rusland eist voor dergelijke transit-visa niet alleen een visum met een eindbestemming, maar wil ook een doorreisvisum van een vervolgland op de route, bijvoorbeeld van Japan. Daarmee is Rusland zeker dat de vluchtelingen Rusland ook weer zullen verlaten – of ze nu wel of niet Curaçao of Suriname als eindbestemming zullen bereiken.

Nathan Gutwirth klopt vervolgens in Kaunas aan bij de Japanse consul Sugihara. Ook hij ziet het dilemma en besluit, net als Zwartendijk, om de Joodse vluchtelingen te helpen. En zo begint de Japanse consul, zonder medeweten van zijn superieuren in Tokio, eveneens met het uitschrijven van Japanse doorreisvisa voor Joden die van Litouwen via Rusland en Japan naar Curaçao willen.

Opvallend is dat de twee consuls, Sugihara en Zwartendijk, elkaar nooit hebben ontmoet, hoewel hun kantoren op tweehonderd meter van elkaar zaten. Wel hadden ze telefonisch contact. Ongepland werkten ze samen en redden zo duizenden mensen het leven. “Werk toch niet zo snel, ik kan het niet bijhouden” zou Sugihara op 1 augustus aan de telefoon tegen Zwartendijk hebben gezegd. Want Zwartendijk had intussen al bijna 2000 visa uitgeschreven. Maar Sugihara, die met een penseel in Japans schoonschrift werkte waar Zwartendijk inmiddels een provisorisch stempeltje tot zijn beschikking had, had er nog maar ca. 700 af. Toch zouden uiteindelijk alle 2345 visa ook van een Japans doorreisvisum voorzien worden.

Dankzij het Nederlandse Curaçao-visum en het Japanse doorreisvisum kunnen de in Litouwen vastzittende Joden vertrekken. Om in Japan te komen, moeten de vluchtelingen wel eerst met de trein door Rusland.

 

Hoe en waarom de Russen toestemming gaven aan deze groep Joden om te vertrekken, blijft deels onduidelijk. Het lijkt erop dat er op het hoogste niveau over is beslist, in de top van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie. Verschillende bronnen noemen Lavrenti Beria, de gevreesde baas van de NKVD, de Russische geheime dienst. Zoon Rob Zwartendijk heeft contact gehad met een Litouwse student die beweerde dat er bewijzen voor zouden zijn. Maar de student blijkt onvindbaar. Toch wordt steevast Beria genoemd als de man die deze groep heeft laten doorreizen per trein dwars door Rusland. Ook Ruslandkenner Robert van Voren, al vijftien jaar werkzaam in Litouwen, denkt dat Beria de toestemming gaf. “Waarom hij specifiek deze groep Joden toestemming gaf om door te reizen, weten we niet. Maar Beria was een heel bijzondere man. Weliswaar was hij een schoft, maar hij was uiterst pragmatisch”.

Robert van Voren doceert als professor Soviet- en post-Sovietstudies aan de Vytautus Magnus Universiteit in Kaunas. En dat doet hij sinds de nieuwbouw vaak in de Zwartendijk-zaal van die universiteit. “Ik vind het heel bijzonder om als Nederlander nu les te geven in een zaal die genoemd is naar een andere Nederlander, hier in diezelfde stad. Raar, maar zo speelt de geschiedenis”.

In Kaunas leeft de naam Zwartendijk dus voort. Maar in Nederland is zijn naam vrijwel onbekend. Loe de Jong schrijft in zijn gezaghebbende standaardwerk ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ geen letter over Zwartendijk. Er blijkt bij het NIOD geen rapport over Zwartendijk en zijn daden te bestaan. In de studiezaal bekijk ik een dun mapje met wat knipsels. En dan kom ik een brief tegen, van dit instituut, dat toen nog Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie heette. Als antwoord op een brief van de zoons van Zwartendijk schrijft het RIOD op 26 februari 1996 aan hen: “Inzake het optreden van Jan Zwartendijk is door het RIOD geen onderzoek verricht”. En dat is raar, want al sinds 1963 is ook in Nederland bekend wat Zwartendijk precies in Litouwen gedaan heeft.

Terug in Nederland

Jan Zwartendijk overleed in 1976. Trots op zijn daden is hij nooit geweest. Zijn zoon Rob zegt daarover: “Hij was een trotse en bescheiden man. Hij wilde geen bedankje en geen aandacht. En hij zei altijd dat iedereen in zijn plaats hetzelfde zou hebben gedaan. Wat natuurlijk niet zo is”.

Want hoe is Zwartendijk zelf uiteindelijk Litouwen uitgekomen? Zoon Rob: “Het duurde tot half september 1940 voor wij als gezin zelf eindelijk ook een uitreisvisum kregen en naar inmiddels bezet Nederland konden. We gingen wonen in Eindhoven, pal naast een van de hoofdkantoren van de nazi’s. Mijn vader stond doodsangsten uit dat ze zouden uitvinden dat hij Joden had helpen ontsnappen. Hij was bang dat hij geëxecuteerd zou worden en wij als familie waarschijnlijk ook. Daarom heeft hij er nooit over willen vertellen.”

Maar ook na de oorlog bleef Zwartendijk zwijgen over zijn moedige daden. Tot in januari 1963 een stuk verscheen over Zwartendijk in een Joodse krant in Los Angeles, de B’nai B’rith Messenger, een Joodse krant die in Los Angeles verscheen. De titel van het stuk was “Angel of Curaçao”. Dat werd opgepikt door de Leeuwarder Courant die Zwartendijk vervolgens opspoorde en interviewde. Dat artikel verscheen op 27 december 1963. Daarop kreeg Zwartendijk bezoek van een ambtenaar van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, want ook daar wist men niets van de reddingsactie van Zwartendijk. Er was geen archiefstuk over te vinden. Dat bleek te kloppen, want voor zijn vertrek had Zwartendijk alles wat aan de illegaal uitgeschreven visa herinnerde, persoonlijk verbrand. Het was illegaal en mocht in geen geval in Duitse handen komen.

 

Eigenlijk was Jan Zwartendijk na de oorlog in maar één ding geïnteresseerd: hoeveel mensen die met een “Curaçao-visum” waren vertrokken, hadden daadwerkelijk de oorlog overleefd? En waar waren ze terecht gekomen? Zoon Rob: “Mijn broer wilde het gaan uitzoeken, maar mijn vader zei: doe dat nou maar niet. Het wrange was dat de dag na de begrafenis van mijn vader in september 1976 een brief arriveerde. Daarin zond een Joodse organisatie die onderzoek had gedaan, dat van de 2345 visa er 2200 mensen in Japan waren aangekomen”. Waar de mensen daarna naartoe gingen, is veelal onbekend. Niemand is in elk geval op Curaçao aangekomen.

De ontsnappingroute naar Japan

Want wat is er nou feitelijk gebeurd met de 2345 Joden die met een Curaçao-visum van het duo Zwartendijk/Sugihara aan de lange reis dwars door de Sovjet-Unie naar Japan konden beginnen? Er zijn Jood visumhouders die in Japan zijn gebleven, vooral in de stad Kobe. Dankzij voormalig Volkskrant-correspondent Jan van der Putten weten we dat enkelen van deze groep vanuit Japan naar de Joodse wijk van de Chinese stad Shanghai zijn doorgereisd. Die stad had, destijds als enige ter wereld, geen visumverplichting. Dat kwam door een ruzie in het plaatselijke bestuur waardoor er een tijd lang geen enkele visumplicht bestond. Deze vluchtelingen, zo beschrijft Van der Putten in zijn boek ‘Standplaats Peking’, kregen steun van lokale Joden en van een Joods-Amerikaanse organisatie voor vluchtelingenhulp. Het gebouw van die organisatie bestaat nog steeds.

Ook zijn er Joodse visum-houders vanuit Japan per veerboot naar de Verenigde Staten vertrokken. Enkelen gingen zelfs naar Indonesië. Na de oorlog is een groot deel van de Joden die in Japan waren gebleven naar Israël gegaan. Opvallend is verder dat er ook veel uiteindelijk in Canada terecht zijn gekomen.

 

De vluchtelingen van 1940 zijn inmiddels vrijwel allemaal overleden. Maar zelfs hun kinderen zijn niet makkelijk te traceren. Na veel gezoek kom ik in contact met een nabestaande van ontsnapten met zo´n Curacao-visum van Zwartendijk. Het gaat om Mark Fishaut, kinderarts in de Verenigde Staten. Hij werd in 1948 in het Canadese Vancouver geboren. Fishaut is de enige zoon van een echtpaar dat Litouwen kon ontvluchten met een Zwartendijk-Sugihara visum. Zijn beide ouders waren Poolse Joden die eind 1939 Polen ontvluchtten. Ze gingen eerst naar Vilnius, de huidige hoofdstad van Litouwen. Daar hoorden zij geruchten over de visa van Sugihara en Zwartendijk, waarop ze besloten direct naar Kaunas, de toenmalige hoofdstad, te gaan. Ze sloten zich aan in de lange rij voor het consulaat van Nederland en daarna dat van Japan, en kregen de visa in hun paspoort. Zo vertrokken ze met de Transsiberië Expres. Vanuit het eindstation Vladivostok staken we per veerboot over naar Japan en reisden over land door naar Kobe.

Poolse hulp

”Daar zaten de meesten toen vast,” vertelt Mark Fishaut. Het was heel moeilijk een geldig visum te krijgen voor een westers land. Ze sjokten van ambassade naar consulaat maar zonder resultaat. Totdat ze aanklopten bij de Poolse ambassade, waar een man met een geweten werkte, ambassadeur Tadeusz Romer. Deze had goede contacten met Canada en kon zo een visum voor Canada regelen. Mijn ouders kregen een speciaal oorlogsvluchtelingenvisum, en pakten de boot. In mei 1941 kwamen ze aan in Vancouver en begon hun nieuwe leven in vrijheid.”

Eerbetoon

Mark Fishaut hoort zijn leven lang van zijn ouders over hun ontsnapping uit Polen en Litouwen. En ze vertellen hem dat die vlucht alleen mogelijk was dankzij de valse visa. De naam van de Japanse consul Sugihara valt dan steeds, maar die van Zwartendijk hoort Fishaut pas voor het eerst in 1999.

“Het US Holocaust Memorial Museum in Washington DC organiseerde een tentoonstelling rond Sugihara en Zwartendijk. Het museum vroeg mij om foto’s van mijn ouders en van de visa. Zo zag ik pas goed de twee namen van de consuls: niet alleen van de Japanner Sugihara, ook van de Nederlander Jan Zwartendijk. Ik weet niet waarom Zwartendijk zo lang buiten beeld is gebleven. Hij was te bescheiden misschien. En Sugihara’s verhaal is bekend door het Sugihara-museum in Kaunas. Bovendien promoot de Japanse overheid actief het heldenverhaal van hem, misschien uit schaamte over de latere collaboratie van Japan met nazi-Duitsland. Er is zelfs een film over Sugihara gemaakt vorig jaar. Toch verdient Jan Zwartendijk veel eer. Mijn ouders zouden vermoord zijn als hij niet zo moedig was geweest. En ik zou er niet geweest zijn. Uiteindelijk leert dit verhaal ons dat alles afhangt van het gedrag van individuen en hun morele keuzes”.

In 1999 eert het “US Holocaust Memorial Museum” Zwartendijk dus, maar de Joodse educatieve organisatie “Boys Town Jerusalem” noemt al in 1996 een onderscheiding naar hem: de “Jan Zwartendijk Award for Humanitarian Ethics and Values”. En in 1997 krijgt Zwartendijk in Israël postuum van het Holocaust-herdenkingsinstituut Yad Vashem de eretitel ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’.

Nederland

In Nederland wordt Jan Zwartendijk nauwelijks herdacht. Maar er is één uitzondering. In de geboortestad van Zwartendijk, Rotterdam, onthult toenmalig burgemeester Bram Peper op 4 november 1997 een monument voor Zwartendijk. Veertien bomen, zilverlinden, werden hier geplant door Peper en de twee zoons van Zwartendijk. Naast de bomen ligt een gedenkplaquette die hierboven is afgebeeld.

Met Bram Peper spreek ik af op deze plek, op de Kop van Zuid. Op een winderige middag vertelt Peper: “Zwartendijks actie was een daad van superieur verzet. Daarvan zijn weinig voorbeelden in de geschiedenis. Zijn daden zijn vergelijkbaar met wat de Zweedse diplomaat Raoul Wallenberg deed in Hongarije. Maar Wallenberg’s verhaal is veel bekender. Dus toen ik in 1997 van Zwartendijk hoorde, heb ik met veel overtuiging voor dit monument gepleit. Ik ben in februari 1940 geboren, en weet me nog opvallend veel van de oorlog te herinneren. We woonden toen in Haarlem. Mijn vader was verzetsman en zat in dezelfde groep als Hannie Schaft. Die groep heeft nog bij ons thuis vergaderd, aldus mijn moeder. Daarom ben ik altijd erg begaan met het verschrikkelijke lot van de Joden. Daarom wilde ik graag dat deze gedenkplek voor Jan Zwartendijk er kwam. Na zijn postume onderscheidingen in Israël en de VS is hij eigenlijk internationaal bekender dan in Nederland. Daar moet nog steeds het nodige aan gebeuren”.

 

Frank van Gelderen van de stichting “Loods 24” vertelt waarom voor deze plek werd gekozen: “We staan bij het muurtje van Loods 24, die verder is afgebroken. Hier werden de Rotterdamse Joden verzameld in de oorlog, voor ze werden afgevoerd naar Westerbork. Dus deze plek is voor Rotterdam wat de Hollandsche Schouwburg is voor Amsterdam. Alleen was dit niet midden in de stad, maar een afgelegen plek aan het water. Sinds 2013 is hier een Kindermonument, in de vorm van een halve cirkel, waarop de namen staan van 686 Joodse kinderen die hier zijn afgevoerd. Dat Zwartendijk hier wordt herdacht, vind ik zeer terecht”.

Zoon Rob Zwartendijk vertelt dat hij door Joodse organisaties in Amerika werd uitgenodigd eind jaren 90, om bij diverse gelegenheden te vertellen over zijn vader. Het ging om inzamelingsacties voor goede doelen in Israël. Bij deze bijeenkomsten, vaak met diners, waren ook vaak overlevenden van Litouwen aanwezig. “Dan kwamen er oude mensen naar me toe die uit hun binnenzak hun paspoort haalden. En dan zag ik zo’n visum en herkende het handschrift van mijn vader. Dat was erg bijzonder. Toen ze er bij zeiden dat dit hun leven had gered, was het zelfs emotioneel”.

Jan Zwartendijk werkte na de oorlog weer voor zijn oude baas Philips. De laatste tien jaar tot zijn pensionering werkte hij voor een Philips-vestiging in Griekenland. In september 1976 overleed Zwartendijk op 80-jarige leeftijd in Eindhoven. Hoeveel Joden hij heeft gered, heeft hij nooit geweten.

Nathan Gutwirth

Ergens in najaar 1971 rinkelt de telefoon in huize Zwartendijk in Rotterdam. De intussen gepensioneerde Philips-directeur heeft in 1940 als Nederlandse consul in Litouwen half-illegale visa voor Curaçao uitgeschreven, bestemd voor Joden die op de vlucht waren voor de oprukkende nazi’s (lees deel 1 en deel 2 van dit drieluik). Als Zwartendijk in 1971de telefoon opneemt, hoort hij de stem van Nathan Gutwirth vanuit Antwerpen. Gutwirth kon dankzij het visum van Zwartendijk en zijn Japanse collega Sugihara ontsnappen uit Litouwen.

Het telefoontje van Gutwirth is het eerste contact dat Zwartendijk sinds die zomer van 1940 heeft met een overlevende met een mede door hem uitgeschreven visum. Wat beiden precies aan de telefoon hebben besproken, valt niet te achterhalen. De in 2014 overleden oudste zoon van Zwartendijk, die net als zijn vader ook Jan heette, vermeldt het telefoontje in zijn verslag uit 2008 over de reddingsactie van zijn vader. En hij vermeldt erbij dat Gutwirth de eerste en enige overlevende zou zijn met wie zijn vader na 1940 ooit contact heeft gehad.

 

Of Nathan Gutwirth en Jan Zwartendijk elkaar ook in levende lijve hebben ontmoet, is onduidelijk. Zoon Rob Zwartendijk weet vrijwel zeker van niet. Hijzelf heeft Nathan nog wel ontmoet in Antwerpen, ergens in de jaren ’90. Maar Faygie Wasyng-Gutwirth, de dochter van Nathan, denkt dat Jan Zwartendijk en haar vader elkaar wel degelijk hebben ontmoet, in Nederland.

Ik ontmoet Faygie Wasyng-Gutwirth bij haar thuis in de Stationsbuurt in Antwerpen, een buurt waar veel orthodoxe Joden wonen. Voor haar op tafel ligt een grote map vol brieven en documenten van haar vader. Het paspoort met het Zwartendijk-visum zit er helaas niet bij. Wel vind ik een brief van Gutwirth uit 1976, waarin hij aan een vriend schrijft dat het hem veel moeite heeft gekost om het adres van Zwartendijk te achterhalen, maar dat dat een paar jaar daarvoor toch gelukt is.

Antwerpen

Ongetwijfeld is Jan Zwartendijk blij geweest om Gutwirth aan de telefoon te horen. Want hoewel hij weinig aan zijn kinderen zou vertellen over zijn reddingsactie in 1940, wilde hij altijd wel graag weten hoeveel mensen veilig de reis door Rusland richting Japan en verder gemaakt hadden. En hoeveel mensen dankzij het visum de oorlog hebben overleefd.

Nathan Gutwirth, in 2000 overleden, was een bijzondere overlevende. Want zonder hem zou de grootscheepse Joodse uittocht door de list van Zwartendijk nooit op zo grote schaal hebben plaatsgevonden. Gutwirth, die een Nederlands paspoort had, vroeg Zwartendijk in juni 1940 om een visum voor Curaçao om zo weg te kunnen komen. Voor Joodse vrienden vroeg hij hetzelfde.

De dochter van Nathan Gutwirth, Faygie, vertelt over haar vader, terwijl ze een portret van hem toont: “De ouders van mijn vader waren uit Polen naar België gekomen. Nathan zelf is geboren in Antwerpen in 1916, midden in de Wereldoorlog. Hij verhuisde met zijn ouders al op jonge leeftijd naar Scheveningen, waar hij zijn jeugd doorbracht. Mijn vader werd toen Nederlander. Toen mijn vader 19 jaar oud was, wilde hij met een Joodse vriend uit Scheveningen gaan studeren in Telsche (nu: Telšiai, GS), een stad in noordwest-Litouwen waar een beroemde jesjiva was, een Talmoedschool. Hij voelde dat hij daar zijn blik kon verruimen”.

 

Zo gezegd, zo gedaan. In 1935 verkast Nathan Gutwirth naar Litouwen en ontmoet daar begin 1939 Jan Zwartendijk, die daar dan nog alleen directeur is van een Philips-vestiging. Zwartendijk heeft soms Nederlandse kranten die Nathan graag komt lezen. Zo krijgen de twee regelmatig contact, al vóór de Duitse inval in Polen. Nathan vertelt Zwartendijk alles wat hij dan weet over de bedreigingen voor de Joden in Europa door de opkomst van het nazisme in Duitsland.

Nathan Gutwirth heeft intussen een Litouws-Joodse vrouw ontmoet. Samen willen ze Litouwen ontvluchten om elders te kunnen trouwen. Na de bezetting in mei 1940 van Nederland door de nazi’s, krijgt ambassadeur L.P.J. de Decker in Riga van de regering in ballingschap in Londen de opdracht om de onder hem vallende Nederlandse consul in Litouwen te ontslaan vanwege nazi-sympathieën. Als één der weinige Nederlanders die destijds nog in Litouwen verblijven, wordt Zwartendijk gevraagd als honorair consul zijn taken over te nemen. Bovendien krijgt Zwartendijk van De Decker te horen dat hij visa voor Curaçao kan afgeven. Curaçao behoort immers tot het Koninkrijk der Nederlanden. Doordat de Japanse consul Sugihara bereid is om een door Rusland verlangde doorreisvisum voor Japan te leveren, ontstaat er opeens een unieke vluchtroute voor de talloze naar Litouwen gevluchte, veelal Poolse Joden. Dat er op het visum een noodzakelijke goedkeuring van de Nederlandse gouverneur van de Antillen ontbreekt, maakt de Russische douaniers niet uit: de visumhouders reizen toch door naar Japan.

Kobe

Zo reizen Nathan Gutwirth en zijn verloofde in juli als allereerste “Curaçao-vluchtelingen” met de Trans-Siberië Express door de Sovjet Unie naar Japan. Faygie Wasyng-Gutwirth vertelt daarover: “Ze kwamen via Vladivostok met de boot aan in de Japanse stad Kobe waar ze een paar maanden bleven. Toen konden ze doorreizen naar Nederlands-Indie. Mijn vader wilde daarheen, omdat hij Nederlander was en daar wellicht veilig zou zijn. Hij kreeg er werk als bibliotheekmedewerker in Batavia. Maar begin 1942 bezette Japan Nederlands-Indië. Mijn ouders werden opgepakt door de Japanners en geïnterneerd. Ruim drie jaar zaten ze in kampen, afzonderlijk van elkaar, tot aan de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945. Mijn ouders trouwden na hun vrijlating vrijwel meteen. Ik werd geboren in Batavia, in augustus 1946”.

 

De familie Gutwirth reist per boot naar Nederland, maar Nathan houdt het er niet lang uit. Zijn moeder en vier van zijn zussen zijn vermoord in de concentratiekampen. De familie verhuist al snel naar New York, waar ze tien jaar blijven. Maar in 1957 keren ze terug naar de stad die Nathan’s ouders in 1916 waren ontvlucht: Antwerpen.

Faygie: “De eerste jaren vertelde mijn vader heel weinig over zijn vlucht uit Litouwen en over de visa van Zwartendijk en Sugihara. Wel schreef hij veel brieven. Pas in 1980, na de dood van mijn moeder, begon hij te vertellen. Toen was het voor hem makkelijker om erover te spreken. Wel vroeg hij zich af of hij niet meer had kunnen doen om andere Joden te redden, en te overtuigen ook weg te gaan met zo’n visum. Want nogal wat Poolse Joden durfden niet verder te vluchten en bleven in Litouwen. De meesten van hen zouden later omkomen”.

Al eerder krijg ik een doorslag van een brief van Nathan Gutwirth in handen, die is gericht aan dr. Loe de Jong, toenmalig directeur van het RIOD, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Hieruit blijkt dat De Jong al eerder Gutwirth heeft geschreven, maar die brief is niet meer te vinden. Nathan Gutwirth gaf in de brief in 1976 achtergronden over de Curaçao-visa van Zwartendijk en schreef erbij dat hij ook graag een onderhoud met De Jong zou hebben. Dat onderhoud heeft vrijwel zeker nooit plaatsgevonden. In de map zitten veel andere brieven die Nathan Gutwirth schreef. Daaruit blijkt dat hij zich inzette voor erkenning voor Zwartendijk’s moedige gedrag.

Eerbetoon

De Japanse consul Sugihara kreeg wel al eerder de erkenning die voor Zwartendijk zo lang uitbleef. Al in 1984 werd hij geëerd als “Rechtvaardige onder de Volkeren” door het Israelische instituut Yad Vashem, terwijl Zwartendijk die erkenning vooralsnog werd onthouden. Nathan Gutwirth maakt zich in verschillende brieven daarover kwaad. Hij schrijft aan een vriend: “Ik heb Yad Vashem verschillende malen geschreven en ook de Israelische ambassadeur in Den Haag. Zwartendijk moet eer krijgen voor het te laat is. Maar ik krijg geen antwoord”. Opvallend is dat hij ook schrijft dat de heer N.A.J. de Voogd, destijds de Nederlandse consul in het Japanse Kobe, eer krijgt voor zijn inzet.

 

Deze onbekende De Voogd staat nog meer in de schaduw dan Zwartendijk, zo blijkt. En dat brengt een ander verhaal boven water: het moedige gedrag van Nathan Gutwirth zelf, in Japan. Een onbekend en zeer verrassend verhaal, dat niet eerder is verteld. Dochter Faygie in Antwerpen vertelt: “Mijn vader vertelde me dat hij in Kobe vaak meteen naar de haven ging als weer een groep Joden uit Vladivostok aan was gekomen. De laatste boot met Joodse vluchtlingen met visa van Zwartendijk en Sugihara kwam waarschijnlijk ergens eind 1940 vanuit Vladivostok aan in Kobe. Maar in tegenstelling tot de eerdere boten met vluchtelingen werden deze vluchtelingen niet toegelaten door de autoriteiten in Japan. De boot kwam aan op een zaterdag, de sabbat, een dag waarop Joden eigenlijk niet mogen reizen. Maar toen mijn vader hoorde dat de boot werd tegengehouden, kwam hij toch in actie. Als je mensen kunt redden, mag je dat doen, ook op sabbat, zei hij. Mijn vader hoorde dat Japan de boot wilde terugsturen naar Vladivostok. En hij wist zeker dat bij terugkeer de mensen naar Siberië gestuurd zouden worden. Hij trommelde de Nederlandse consul De Voogd op. Samen gingen zij naar de haven van Kobe om te pleiten voor toegang van deze groep vluchtelingen. Dat lukte. Ze werden toch toegelaten. Daarover was mijn vader heel tevreden”.

Zo lijkt de moed van Zwartendijk ook te hebben geleid tot moed bij zijn collega-consul in Kobe, De Voogd. En ook een overlevende, Nathan Gutwirth, blijkt een reddende engel.

Yad Vashem

Zwartendijk krijgt vele jaren later, postuum, in 1997 dan toch erkenning van het Israelische herdenkingsinstituut Yad Vashem: hij wordt ook “Rechtvaardige onder de Volkeren”. In Nederland onthult toenmalig burgemeester van Rotterdam Bram Peper op 4 november 1997 een monument voor Zwartendijk.

De Nederlandse ambassade in Litouwen heeft het initiatief genomen tot een monument in Litouwen ter nagedachtenis van de daden van Zwartendijk. De voorziene datum voor onthulling is medio 2017. De Nederlandse ambassadeur Bert van der Lingen laat verder weten dat er gesprekken gaande zijn om een straat in Vilnius of Kaunas naar Jan Zwartendijk vernoemd te krijgen. Voor Nederland bestaan nog geen plannen voor een Jan Zwartendijkstraat.

Dankzij de reddingsactie van Jan Zwartendijk hebben 2345 Joden Litouwen kunnen ontvluchten. Ruim 90 procent van de Joden in Litouwen is echter in de oorlogsjaren vermoord door de nazi’s.

 

Tussen 24 juli en 3 augustus 1940 schreef Zwartendijk 2345 uitreisvisa voor Curaçao uit voor Joodse vluchtelingen. Hoewel hij later nooit over deze actie sprak, schreef hij toch al in juli 1940 in een brief aan het hoofdkantoor van zijn broodheer Philips in Eindhoven in bedekte termen over zijn daden: “Ik moet mensen helpen die in de puree zitten”.

Over Zwartendijk’s motivatie zegt dit briefje niet veel. Een religieuze motivatie ligt niet voor de hand. Zijn intussen overleden zoon Jan jr. schreef dat vader niet naar de kerk ging, hoewel diens eigen ouders vrij streng protestant waren geweest. Zijn beide zoons concludeerden dat vader “deed wat hij voelde dat hij moest doen als een fatsoenlijk mens”. De Canadees-Amerikaanse schrijver Jonathan Goldstein haalt de uitspraak aan van Holocaust-expert Mordecai Paldiel, jarenlang werkzaam bij het herdenkingsinsituut Yad Vashem in Israel. Paldiel stelt: “De buitengewone inzet van Zwartendijk en andere niet-Joodse redders is te verklaren door hun karakter. Hij heeft instinctief gereageerd als getuige van de aantasting van het recht op leven. Dat was het geval bij de Joden voor de deur van Jan Zwartendijk”. In oktober 1997 krijgt Zwartendijk postuum van Yad Vashem de eretitel ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’.

De route naar Curaçao

“Het verzet is minder gedocumenteerd dan je zou verwachten”. Dat stelde Marjan Schwegman, scheidend directeur van het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, half februari in een interview met de Volkskrant. Zij deed deze uitspraak over het verzet in de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Maar dat ook Nederlanders buiten ons land actief verzet pleegden, is nog veel minder bekend. Zo kent vrijwel niemand de naam Jan Zwartendijk. En dat is vreemd. Want hij redde in de zomer van 1940 als Nederlandse consul in Litouwen ruim 2300 Joden het leven. Zwartendijk gaf visa uit voor Curaçao aan Poolse Joden die Litouwen wilden ontvluchten. Met een illegaal verstrekte doorreisvisum voor Japan, verstrekt door Zwartendijk’s collega Sugihara, ontsnapten ze aan een vrijwel zekere dood.

Dochter Edith

De vermoedelijk laatste nog levende ooggetuige van Jan Zwartendijk’s moedige daden is zijn eigen dochter, Edith Jes-Zwartendijk, nu 89 jaar oud. Zij heeft de rijen wachtende Joden voor haar vaders kantoor in Kaunas in 1940 met eigen ogen gezien, op 13–jarige leeftijd: “Het was een woeste tijd, weet ik nog. Wij kinderen begrepen toen niet wat er aan de hand was, maar ik weet nog dat er een griezelige sfeer was. Ik denk omdat ik die rijen bange mensen zag staan voor mijn vaders kantoor. Mijn ouders waren ook vrij gespannen. Bang was ik vooral voor de Russen die langzaamaan alles gingen beheersen en de macht overnamen. Niets was normaal.“

Er was inderdaad angst voor de Russen, want al op 15 juni 1940 werd de Sovjet-bezetting van Estland, Letland en Litouwen een feit. Het duurde nog tot 3 augustus voordat de sinds 1918 onafhankelijke staten formeel bij de Sovjet-Unie werden ingelijfd. Vanaf die datum zou ook het Nederlandse consulaat van Zwartendijk gesloten worden, dus in de tussenliggende dagen werkte Jan Zwartendijk non-stop door aan het uitschrijven van visa voor Curaçao voor Pools-Joodse vluchtelingen.

Een van de eerste visa werd aan Nathan Gutwirth uitgereikt (zie deel 3). Gutwirth was een student aan een bekende jesjiva, een Talmoedschool in de Litouwse stad Tels. Hij was degene die onder de Joodse gemeenschap in Litouwen het nieuws van de Curaçao-visa verspreidde, waarna honderden zich meldden. Gutwirth zou Zwartendijk gekend hebben vanwege hun gezamenlijke voetbalpassie. Dankzij Gutwirth was de zakenman Zwartendijk goed op de hoogte van de gevaren voor de Joden in Litouwen.

De website Remember.org citeert de historicus David Kranzler, die schrijft dat Zwartendijk in de vroege jaren dertig enkele jaren in de Duitse stad Hamburg woonde en zo al de opkomst van de nazi’s meemaakte. Dat bevestigt zoon Rob Zwartendijk: “Mijn ouders hebben waarschijnlijk tot en met 1933 in Hamburg gewoond. Mijn vader werkte toen nog in de olieën en vetten. Maar meer weet ik er niet van”. Waarschijnlijk zag Jan Zwartendijk toen al de gevaren voor de Joden onder de nazi’s.

Rol Sovjet-Unie

Wat tot voor kort onduidelijk is gebleven, is de rol van de Sovjet-Unie. Want waarom zou dit totalitaire land toestemming geven aan deze groep Joodse vluchtelingen om dwars door Rusland te reizen om zo te ontkomen? Dit kan een lokale partijfunctionaris nooit geregeld hebben. Er zijn al lang geruchten dat partijtopman en hoofd van de beruchte geheime dienst NKVD (voorloper van de KGB) Lavrenti Beria hierbij betrokken is geweest. Enig inzicht geeft Victor Israelyan, jarenlang topdiplomaat bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in de Sovjet-Unie. Hij schreef verschillende boeken met inkijkjes in de buitenlandse politiek van dat land. Israelyan bevestigt de geruchten als hij schrijft dat op het hoogste niveau is besloten dat deze groep uit Litouwen door Rusland mocht reizen. En ook Beria’s betrokkenheid klopt volgens hem. Hij stelt dat ene Vladimir Dekanozov de daadwerkelijke toestemming gaf voor de doorreisvisa door Rusland, op weg naar Vladivostok en uiteindelijk Japan.

Vladimir Dekanozov was Beria’s rechterhand. Ze kenden elkaar al sinds midden jaren dertig uit de Sovjetstaat Georgië, waar ook Stalin was geboren. In de partijleiding vormden ze de zogenaamde “Georgische groep”. Dekanozov en Beria kwamen in Moskou bij de beruchte geheime dienst, de NKVD, te werken. Beria als hoofd, Dekanozov als zijn adjunct. Dekanozov werd in 1940 belast met het inlijven van Litouwen in de Sovjet-Unie en zodoende kreeg hij te maken met de Joodse vluchtelingen uit Polen. Voormalig topdiplomaat Victor Israelyan schrijft dat het ondenkbaar is dat Dekanozov hierover op eigen houtje beslist zou hebben. Minister van Buitenlandse zaken Molotov moet hiervan geweten hebben. En die kon op zijn beurt onmogelijk toestemming voor de visa hebben gegeven zonder de steun voor dit besluit van Stalin.

 

Waarom Stalin dit goed heeft gevonden, is niet geheel duidelijk. Een reden kan geweest zijn, stelt schrijver Goldstein, dat zo op een makkelijke manier duizenden straatarme en wanhopige Joden weg zouden zijn uit het straatbeeld van het verse, trotse en net geannexeerde Litouwen. Een andere mogelijkheid is dat de Sovjet-leiders hoopten onder deze vluchtelingen mogelijk toekomstige spionnen te werven voor werk in de Verenigde Staten, Canada of Japan, waar ze mogelijk terecht zouden komen.

Hierover schrijft de latere Israëlische minister van Religieuze zaken, zelf vluchteling met een Zwartendijk-visum, Zerach Warhaftig. Hij had over de poging om mensen aan te zetten tot spionage gehoord van enkele andere vluchtelingen. Het ging om twee studenten uit de Talmoedschool van Tels. Hen werd bij een screening door Sovjet-personeel gevraagd of ze wilden spioneren, maar ze weigerden dat. Toch kregen zij een visum. Een derde mogelijk motief voor het geven van de doorreisvisa zou simpelweg geld kunnen zijn geweest. Want elke vluchteling moest tussen 170 en 240 US dollars betalen aan het Sovjet-reisbureau Intourist voor de treintickets en visa. Dat geld kwam vaak van Amerikaans-Joodse familieleden en van een orthodox-Joodse hulporganisatie in New York, Vaad ha-Hatzala. Uit officiële bronnen valt dit moeilijk af te leiden en de meeste betrokkenen zijn intussen overleden. En de man die de toestemming zou hebben gegeven, Vladimir Dekanozov, viel later uit de gratie bij de Sovjettop en werd in 1953 geëxecuteerd. Zijn naam is daarna volgens aloude Sovjet-traditie min of meer weggepoetst uit de geschiedenis.

Absoluut niet!

De overlevende Joodse vluchtelingen met een Zwartendijk-visum kwamen terecht over de hele wereld, maar niemand bereikte de op het visum vermelde eindbestemming Curaçao. De latere Israelische minister Zerach Warhaftig, zelf een vluchteling met een Zwartendijk-visum, ontmoette in 1966 de gouverneur van Curaçao in de oorlog, Piet Kasteel. Kasteel was intussen de Nederlandse ambassadeur in Israël geworden. Warhaftig legde aan de oud-gouverneur de achtergronden van Zwartendijk’s “nepvisa” uit. Daarna vroeg hij hem: Zou u als gouverneur van Curaçao deze Joodse vluchtelingen hebben toegelaten? Het antwoord van Kasteel was kort: Absoluut niet! Daarmee onderstreepte Kasteel de slimme truc van Zwartendijk. Hij gebruikte officiële doorreis-visa waarbij slechts één onopvallend maar wel noodzakelijk detail ontbrak: de schriftelijke toestemming van de gouverneur van het overzeese gebiedsdeel waarvoor het visum was uitgeschreven.

Dit artikel is gemaakt door Andere Tijden, VPRO, NTR, NPO. December 2016