Selecteer een pagina



Geboortedatum: 02-02-1893
Overlijdensplaats: Auschwitz
Overlijdensdatum: 26-03-1944

Laatste (vrijwillige) woonadres in Eindhoven: Boschdijk 771

Slachtoffer staat op lijst: Joods

Alice was een bewoner van de Rijks Psychiatrische Inrichting “De Grote Beek” in Eindhoven.

Op 13 maart 1944, zo tegen het avondeten, krijgt geneesheer-directeur Mooij van het Rijks Krankzinnigen Gesticht twee leden van de Duitse Sicherheitsdienst op bezoek. Ze komen vier joodse patiënten ophalen. Het gaat om patiënten die voor rekening van de gemeente Amsterdam verpleegd worden. In aanwezigheid van zijn stafleden, de doktoren Ruiter, Tiggelaar, De Regt en Flohil, wordt Mooij gesommeerd de vier joden over te dragen. Dokter Mooij antwoordt: “Ik heb geen joden, alleen maar patiënten”.

Dokter Mooij weigert iedere medewerking en beroept zich op zijn ambtseed en gewetensbezwaren. Ook zijn stafleden scharen zich achter hem. Mooij wordt daarop gearresteerd en later afgevoerd naar het politiebureau. De achtergebleven geneesheren volharden eveneens in hun weigering.

De volgende ochtend, rond de klok van elf, komt de Sicherheitsdienst met groot vertoon van macht terug.
Het administratiegebouw wordt afgegrendeld en bezet door leden van de Sicherheitsdienst, aangevuld met leden van de burgerwacht.
Opnieuw worden de achtergebleven geneesheren gesommeerd de namen vrij te geven en de joodse patiënten over te dragen. Het gaat nu niet meer om de vier joodse patiënten die voor rekening van de gemeente Amsterdam verpleegd worden, maar om àlle joodse patiënten.
Ruiter, Tiggelaar, De Regt en Flohil volharden in hun weigering om gegevens te verstrekken.
Daarop bezetten leden van de Sicherheitsdienst het administratiekantoor en dwingen, met getrokken pistool, het aanwezige personeel de met ‘J’ gemerkte registratiekaarten te overhandigen. Wederom wordt er geweigerd.
De Sicherheitsdienst doorzoekt nu zelf de kaartenbakken en haalt er de met ‘J’ gemerkte kaarten uit. Daarop begeeft men zich naar de paviljoens en dwingt de personeelsleden door hen het pistool op de borst te zetten, de betreffende patiënten aan te wijzen. Vierentwintig joodse patiënten worden op die manier bijeen gedreven en naar het hoofdgebouw gebracht, waar ze gedwongen worden in een gereedstaande overvalwagen te stappen.

Alice was één van hen.

Alice Sachs wordt op 2 februari 1893 geboren in Berlijn als dochter van Arthur Julius Sachs (* Breslau) en Rosa Heller (*29 juli 1861 Berlijn). Ze is gehuwd met H. Fleischer ( * 29 juni 1914 Charlottenburg). Alice Sachs heeft de Tsjechische nationaliteit. Ze wordt op last van de president van de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage met een machtiging opgenomen in het Rijks Krankzinnigen Gesticht op 8 november 1937. Het paar heeft twee kinderen. Op het moment van opname komt ze van de kliniek Ockenburgh Loosduinen.

De ziektegeschiedenis meldt: ‘Patiënt wordt gebracht door haar pensionhoudster, mevrouw Feld. Alice Sachs woonde sinds 3,5 jaar in een pension in Scheveningen, Gemert de Grootweg 122. Ze komt uit een gegoede Duitse familie in Oost-Pruisen, huwde met Dr. Fleischer, dr. in de economie, die sinds drie jaar in Londen woont. Haar moeder is op 39-jarige leeftijd gestorven aan kanker. Haar vader is 6 jaar geleden gestorven. Patiënt lijdt sinds haar zestiende jaar aan toevallen. De laatste tijd raakte patiënt in haar pension in de war. Ze gooit bijvoorbeeld met glazen water. De diagnose epilepsie is bevestigd door dr. Fraenkel uit Berlijn, die patiënte reeds lang ambulant onder behandeling had. Ook was zij enige malen opgenomen in diens sanatorium. 4000 Behalve haar toevallen heeft patiënte buien van verwardheid die eerst langzamerhand voorbijgaan met bedrust, luminal en broom. Ze heeft over haar toevallen weinig herinnering. Toch is over het algemeen haar geheugen en oordeel goed’. Volgens een brief van de man aan Ockenburgh is hetgeen patiënte als therapie het beste helpt een grotere dosis luminal. Ook blijkt uit deze brief dat patiënt een zoon van 15 jaar (in augustus althans) hier in Holland heeft. ‘Te Ockenburgh was patiënte eerst stuporeus en kon geen gesprek voeren. Ze had ’s nachts enige epileptische insulten. Allengs werd ze wat meer ‘wakker’ maar ging dan ook hallucineren en kreeg ze waandenkbeelden, meende dat man en kinderen doodgeschoten waren, hoorde dit ook door de radio. Ze was angstig en onrustig en wilde zelf ook dood. Langzamerhand werd ze wat toegankelijker, hoort zich echter ook door de radio uitgescholden voor ‘hoer’, is bang dat haar omgeving dit geloven zal en wil zoo niet verder leven. Ze is depressief, weigerde nu en dan voedsel. De familie is in 1933 uit Duitsland uitgeweken. De man vond eerst werk in Parijs, later in Londen. Hij moet veel reizen. De vrouw bleef in Holland achter, de man is Israëliet, de vrouw niet’.

Verder zit er nog een brief van haar man van 7 november 1937 in het dossier.

Uit de brief blijkt dat haar echtgenoot zich ernstig zorgen maakt over de situatie van zijn vrouw. Er is sprake van dat als hij niet voor het onderhoud van zijn vrouw betaalt, zij naar Tsjecho-Slowakije gestuurd zal woorden. Haar man is financieel in een kritische situatie, en is momenteel niet in staat om voor het onderhoud van de vrouw te betalen. Hij hoopt op een spoedige genezing zodat hij haar kan laten overkomen naar Londen. Hij is ook bang dat als zij uitgewezen wordt naar Tsjecho- Slowakije, hij zijn kinderen niet meer kan bezoeken. Hij benadrukt dat uitwijzing van zijn echtgenote naar Tsjecho-Slowakije ook haar geestelijke toestand zal verslechteren. Ook vraagt hij dringend om overplaatsing naar een ‘Heim fuer Nervenkranke in Amersfort’ dat door een Duits-joodse arts gesticht is, een zekere dokter Levy. Hij meent dat het zeer geschikt is voor een verblijf van zijn echtgenote omdat ze daar in haar moedertaal kan spreken. Hij had deze informatie gekregen van mevrouw van Tuijn van het comité voor joodsche vluchtelingen.

Hij sluit de brief met het uitspreken van de hoop dat men zijn noodsituatie erkent en dat men zijn pogingen om in de situatie in te grijpen niet kwalijk neemt.

Tenslotte is er nog een brief van het Rijks Krankzinnigen Gesticht aan de heer Fleischer, gedateerd 25 juni 1945. Het is een antwoord op een brief die hij kennelijk gestuurd heeft op 2 mei 1945 met een verzoek om informatie.

‘Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 2 mei 1945 deel ik u mede, dat mej. Fleischer-Sachs hier op 8 november 1937 is opgenomen, nadat zij tevoren eenige tijd verpleegd is geworden in de kliniek Ockenburg te Loosduinen. Tijdens haar verblijf in deze inrichting was zij volkomen verward. Zoals ik ook reeds aan uw zoon heb laten mededeelen, is zij, tegelijk met de overige hier verpleegde joodsche patiënten, op 14 maart 1944 door de Gestapo uit dit gesticht weggevoerd, en, voorzoover dezerzijds bekend is, destijds overgebracht naar Westerbork. Nadien is dezerzijds omtrent het lot dezer patiënten niets meer vernomen.
De geneesheer directeur’.

Geen overlijdensakte aangetroffen



Stolpersteine App: https://map.stolpersteine.app/nl/eindhoven/locaties/boschdijk-771-rijks-krankzinnigen-gesticht
Netwerk Oorlogsbronnen: https://www.oorlogslevens.nl/tijdlijn/Alice-Fleischer-Sachs/02/42764

error: De content is beveiligd !!